Helemaal groen

    ‘Openmaken!’ Een schok gaat door haar lijf als ze wakker wordt. Droomde ze? 4:03, ze zucht als de betekenis van de digitale cijfers op de wekker tot haar doordringt. Beneden hoort ze Kees, haar Mechelse herder, piepen. Het zachte getik van zijn staart die tegen de muur slaat, verraadt zijn blijdschap. Staat er dan toch iemand voor de deur? De hond zou iedere inbreker nog vrolijk verwelkomen, ongeacht hoe laat het is.

     ‘Politie, openmaken!’ Nu wordt er hard op de voordeur gebonkt. Kees blaft, als een blijk van vreugde waar geen mens van onder de indruk zou raken, al ziet hij er nog zo gevaarlijk uit. Ze haast zich naar de badkamer, waar haar badjas hangt. Terwijl ze met twee treden tegelijk de trap afstormt, trekt ze hem aan.

     ‘Kees, aan de kant.’ Kees staat recht voor de voordeur te kwispelen, ze duwt hem met de zijkant van haar been opzij om de deur open te kunnen maken. Door het raam in de voordeur schijnt een fel licht recht in haar gezicht. Ze reikt op de tast naar de klink van de deur en duwt hem naar beneden. De deur gaat niet open, hij zit op het nachtslot. De sleutel moet ergens in de buurt liggen, op het kastje in de hal. Ze maakt een verontschuldigend gebaar naar de lichtbundel en probeert met een draaibeweging van haar hand duidelijk te maken dat ze de sleutel gaat pakken. Als ze zich omdraait, moet ze even wennen aan het gedempte licht in haar hal; de felle schijnwerper heeft haar voor even verblind en zwarte vlekken dansen voor haar ogen. Heel even blijft ze stilstaan om haar balans te hervinden. Meteen klinkt er weer gebonk op de deur achter haar. Wat is dit? Ze graait naar de fruitschaal die op het gangkastje staat en haar vingers herkennen vlot de contouren van de sleutelbos. Met een diepe teug adem vult ze haar borstkas, waarna ze zich omdraait, de juiste sleutel selecteert en met de baard ervan het gat zoekt. Haar handen trillen, beginnen zelfs ongecontroleerd te schudden. De schokkende bewegingen verspreiden zich door haar hele lichaam, haar knieën knikken.

     ‘Opschieten,’ schreeuwt de stem achter de lichtbundel. Ze schiet op, tenminste, ze doet haar best. Dan opeens is het slot open. Nog voordat ze de kans heeft gekregen de deurklink naar zich toe te trekken, duwen harde handen de deur in haar richting. Ze doet een stap achteruit. Twee handen grijpen haar hond bij zijn nekharen en zetten hem klem tussen twee stevige benen. Kees jankt. Twee andere handen grijpen haar bij haar linker arm, die ze in een vloeiende beweging naar haar rug draaien en met dwang omhoog duwen.

     ‘Lopen.’ Gedwee laat ze zich voortduwen in de richting van de woonkamer. Ze heeft geen keuze, bij iedere beweging die afwijkt van de richting die de man achter haar aangeeft, schiet er een pijnscheut door haar schoudergewricht.

    ‘Wat is dit?’ De angst in haar stem is zo overheersend dat ze zich afvraagt of er wel iemand is die haar kan verstaan.

    ‘Kop houden,’ hoort ze achter haar rug. In de kamer duwen de harde handen haar op een eetkamerstoel. Haar linker hand bevindt zich nog steeds op haar rug, in een onnatuurlijke verdraaiing. De hand die haar post omklemt, duwt haar arm nu hardhandig naar beneden, tot aan haar onderrug. Tegelijkertijd pakt een andere hand haar rechter pols. Als haar eigen handen elkaar raken, achter haar rug, neemt een vreemde hand haar beide polsen in een greep. Een andere hand sluit behendig de handboeien. Een van de panden van haar badjas glijdt naar beneden. Onhandig kruist ze haar benen.

    ‘Waar heb je alles liggen?’ De stem doet haar denken aan die van haar vader. Onwillekeurig krimpt ze ineen.

    ‘Wat?’ Haar stem is zo klein als ze zich nu voelt.

    ‘Houd je niet van de domme. We weten alles!’ Ze voelt hoe er iets tegen haar rug wordt geduwd, recht tussen haar schouderbladen, iets links van het midden. Een pistool? In de keuken krabt Kees aan de deur. Kennelijk hebben ze hem daar opgesloten. Ze rilt en slikt. Zouden ze het alsnog ontdekt hebben, na al die jaren?

    ‘Ik heb de BlackBerry gevonden, chef,’ klinkt achter haar. Ze zit met haar gezicht naar het tuinraam, in de weerspiegeling ziet ze twee agenten door haar kamer lopen. Allebei dragen ze een zwart jack met daar overheen een dikke, zwarte bodywarmer. Bedoeld om iets anders dan de kou te weren. Politie, ziet ze staan op de rug van een van de mannen. In spiegelbeeld. Wat eronder staat, kan ze niet ontcijferen. Het is haar wel duidelijk dat dit niet de gewone politie is, in zwart en fluorescerend geel. Niet die beste vriend die je staande houdt als je vergeten bent de verlichting van je auto aan te zetten. Ze huivert. De BlackBerry. Die had ze gisteren aan de lader gelegd toen ze thuis kwam van haar avondwandeling. Toen ging ze er nog vanuit dat ze het stokoude apparaat nooit meer zou kunnen ontgrendelen, nu staat haar woonkamer vol met boosaardige agenten. Geeft het apparaat toch nog zijn verhaal prijs?

    ‘Wat is de pincode?’ Ze weet het niet. Ze weet het écht niet.

    ‘Zoek verder, die wapens moeten hier ook zijn!’ Op dat moment verschijnt er een derde man in de kamer.

    ‘Boven is alles schoon, chef. Niks gevonden. Jaap wilde de kruipruimte in, maar die is er niet. bij de voordeur is alleen een put met de hoofdkraan en de watermeter. Deze idiote huizen zijn rechtstreeks op het zand gebouwd.’ Daar had ze zich zelf ook al over verbaasd toen ze dit huis kocht met het geld uit de erfenis van haar vader. Hij verstopte zijn gereedschap altijd in de kruipruimte. Dat dat in haar huis niet kon, gaf haar een beschermd gevoel.

    ‘Chef?’ Een van de mannen komt de kant op van de man die nog steeds achter haar staat, met één hand stevig op haar schouder gedrukt. Hij laat Chef iets zien. Een roze kaartje. De verblijfskaart van de onbekende Oost-Europese man. Gisteren vond ze het roze documentje tijdens het wandelen. Marek, het verbaast haar dat ze zich onder deze omstandigheden zijn naam nog kan herinneren. Zijn achternaam weet ze niet meer.

    ‘Mijn god,’ verzucht Chef. ‘Naar hem zijn we al een eeuwigheid op zoek.’ En dan, zo dicht bij haar oor dat ze opnieuw ineen krimpt: ‘Zeg waar hij is!’

    ‘Ik heb die kaart gisteren gevonden.’ Haar keel voelt alsof die dichtgeknepen is. Haar stem klinkt hees. Ze schraapt haar keel. ‘Hij lag buiten, op straat.’ Nu klinkt ze al iets overtuigender.

    ‘Onmogelijk. Die man is al drie jaar vermist.’

    ‘Op de middenberm van de Smits van Oyenlaan, bij het benzinestation,’ probeert ze. ‘Tussen het gras.’

    ‘Onzin. Welke idioot loopt dáár nou over de middenberm!’ Nu kan ze een glimlach niet onderdrukken. Het komt goed, daar is ze van overtuigd nu het slechts over de telefoon en de verblijfskaart gaat.

    ‘Deze idioot, ik.’

    ‘Wat deed je daar dan?’

    ‘Nou, gewoon. Zwerfafval verzamelen. Ik vond ook de golfbal die daar op de kast ligt. Die lag een paar meter verderop. Eerst de telefoon, toen de kaart, toen de bal. Op een stukje van nog geen dertig meter. En nog een stuk of tien blikjes, wat petflessen, papieren zakken, servetten en chips-verpakkingen. En mondkapjes natuurlijk, nog meer dan lege blikjes’ De agent die de verblijfskaart had gevonden, staat nu voor haar. Hij trekt één wenkbrauw op.

    ‘Meen je dat nou? Denk je nou echt dat wij dat geloven?’

    ‘Wat je wilt.’ Ze voelt hoe het voorwerp harder in haar rug duwt. Dat was wat te brutaal, beseft ze. Een van de andere agenten is nu ook voor haar komen staan. In zijn ene hand heeft hij de golfbal, in de andere de half vergane Kipling rugtas.

    ‘Allebei voorzien van gps-trackers, hoe verklaar je dat?’

    ‘Sorry, het is echt waar. Ik heb me aangesloten bij zo’n groep hier in het dorp. Als ik toch een rondje loop met Kees, kan ik meteen afval prikken. Kees, dat is mijn hond. Hij doet geen vlieg kwaad. Mag hij los.’

    ‘Die herder? Geen sprake van!’ De man achter haar laat weer van zich horen. ‘Er is je gevraagd hoe het zit met die trackers. Geef antwoord.’

    ‘Die rugtas heb ik gevonden tijdens een wandeling afgelopen weekend. Hij lag in de bosjes op het wandelpad. Op de geluidswal tussen de Zuiderklamp en de N270. Ik heb er niet eens in gekeken, hij is zo smerig. Maar ik vind hem best mooi, ik was van plan om hem nog te wassen en te kijken of ik hem kan oplappen.’

    De chef schudt zijn hoofd, ziet ze in het raam. Dan verschijnt de vierde man, die Jaap van de kruipruimte, naast hem. In zijn hand haar smartphone.

    ‘Ik denk dat ze de waarheid spreekt, chef.’ Hij toont Chef het scherm van haar iPhone. Hoe hij die zo snel ontgrendeld heeft, is haar een raadsel. Straks eens naar kijken, neemt ze zich voor.

    ‘Gisteren heeft ze een foto van haar oogst gepost in de Facebook-groep Nuenen Schoon. De BlackBerry, de verblijfskaart en de golfbal. Er zijn grapjes over gemaakt in de reacties. Zijzelf schrijft dat ze de kaart nog zal afgeven bij de gemeente en dat ze benieuwd is naar het verhaal achter de schatten. De rugzak komt tevoorschijn in een andere post van haar. De screenshots van de app Helemaal Groen laten precies zien waar ze heeft gelopen en wanneer.’

    ‘Je meent het?’ De chef verwacht niet echt een antwoord, denkt ze. Ze voelt hoe zijn greep op haar schouder verslapt. Ook het ding dat hij tegen haar rug houdt, trekt hij bij haar vandaan. Hij schuift de stoel die naast haar staat iets opzij en laat zich erop zakken.

    ‘We moeten wel de afstandsregels naleven’, zegt hij. Hij wrijft met zijn handen over zijn voorhoofd. Zijn schouders laat hij hangen. ‘Ik zou nu willen dat ik je het verhaal kon vertellen, dan had je tenminste nog wat. Dat kan helaas niet. Ik kan je wel zeggen dat we ontzettend geholpen zijn met deze spullen. En dat het me spijt. Je hebt geen idee hoezeer het me spijt.’

    Zijn stem klinkt opeens een stuk zachter dan even geleden en in zijn ogen herkent ze vriendelijkheid en oprechtheid. ‘Ik neem aan dat je de beste bedoelingen had. Mag Kees nu los?’ Het duurt nog geen tel voordat hij met zijn voorpoten op haar bovenbenen springt. Het pand van de badjas dat nog over haar been lag, glijdt er nu ook af. Het kan haar niet schelen. Gelukkig hebben ze haar niet gedwongen zich helemaal bloot te geven en is de ietwat dubieuze dood van haar vader niet ter sprake gekomen. Terwijl ze dit bedenkt, bevrijdt een van de agenten haar polsen uit de boeien. Ze slaat haar armen om de nek van Kees.

    ‘We zullen maar weer eens gaan,’ zegt Chef. ‘Neem nog wat rust, zou ik zeggen.’

    ‘Liever een stevige borrel,’ antwoordt ze. ‘En die neem ik op jullie als jullie beloven dat jullie vanaf nu echte misdadigers gaan vangen. Eikels die zich schuldig maken aan kindermishandeling, dat lijkt mij wel wat.’

    ‘Graag mevrouw. Als u belooft dat u zich in blijft zetten voor een schoon Nuenen.’ Ze knikt en op haar gezicht verschijnt een brede glimlach. ‘Wij komen er wel uit,’ Chef knikt haar toe, zijn mannen maken een kleine buiging en op gepaste afstand van elkaar lopen ze de gang in, op weg naar een ontwakend Nuenen dat weer een stukje groener is.

Tweestrijd

“Hoor je me?” Ja. Ze hoort hem. Zijn stem is laag en warm. Bekend. Hij raakt haar voorhoofd even aan en dat is fijn. Even voelt ze de behoefte om haar ogen open te doen en hem aan te kijken. Ze doet het niet, ze kan zijn blauwe ogen dromen. Als hij zijn hand weer wegtrekt, laat hij een gloeiende warmte achter.

“Hallo, ben je alweer een beetje wakker?” Ja. Wakker is ze.

“Earth calling Sarah, come in, Sarah.” Ze glimlacht.

“Als je nou maar aan haar gezicht kon zien dat ze iets hoorde, maar ze reageert nergens op. Nog steeds niet.” Dit is een vrouwenstem, iets verder bij haar vandaan. Links van haar klinkt het zuigen en pompen onverminderd door, in gestaag tempo: brrrr, pffff, brrrr, pffff.

Dichterbij: “Kom op nou. Word wakker. Je hebt geen enkele reden om nu nog in slaap te blijven.” Hij duwt zachtjes tegen haar schouder aan. Even volgen de pieptonen elkaar sneller op. Zal ze? Of blijft ze nog een poosje in de staat van bewustzijn waarin ze nu verkeert? In zijn zorgzame handen.

“Jij hebt maar geluk.” Ze zijn terug. Allebei. Ze moet een paar uur geslapen hebben. Hoewel ze haar ogen nog gesloten heeft, merkt ze dat er geen daglicht meer de ruimte in komt.

“Hoezo, geluk?” Net als eerder legt hij zijn hand op haar voorhoofd. Ze voelt zich eenzaam.

“Nou, jij kunt te pas en te onpas bij haar op bezoek. Andere patiënten liggen in eenzaamheid weg te kwijnen.”

“Goh, wat heb ik een geluk.” Op de plek waar zojuist zijn hand lag, voelt haar voorhoofd koud aan. Ze hoort de vrouw dichter bij haar komen. Dichter bij hem.  

“Sorry, schatje. Zo bedoelde ik het niet.” Schatje? De lucht in de kamer verplaatst zich.

Hij zucht. “Doe jij de deur zo achter je dicht als je hier klaar bent?” Ze wil hem terugroepen, maar zijn voetstappen klinken al steeds zachter.

De vrouw is bezig met het apparaat. Even later haalt ze de dekens weg van haar lichaam. Ze voelt zich kwetsbaar. Machteloos. Bloot. Vies. Bekeken. Ze wil terug naar de onwetendheid, beter nog: de vergetelheid. Weg van het normale leven. Weg van het ‘nieuwe normaal’.

 “Als ze niet snel wakker wordt, houdt ze er sowieso blijvende schade aan over.” Het is die vrouw weer. Samen met hem. Het is nog donkerder dan eerst. Hij strijkt even met zijn handen door haar haren. Die moeten nodig gewassen worden. Even nog. Nog heel even. Ze wordt heus nog wel wakker, als zij er zelf klaar voor is.

“Het zal moeilijk zijn als ze weer bijkomt.” Het blijft even stil. Hij slikt.

“Zover hoeft het niet te komen, schatje.” Schatje? Hij ook?

“Help me even dit infuus goed aan te leggen.”

Het schatje komt dichterbij. “Kom je straks na je dienst naar mijn huis?”

In gedachten neemt ze afstand. Anderhalve meter moet genoeg zijn. Een paar dagen. Later. Later zal ze een besluit nemen. Nu nog niet. Een slanke, koude hand omklemt haar pols. De vingers trillen. De infuusnaald die tussen haar middenhandsbeentjes is aangebracht, doet even gemeen pijn.

“Daar gaat ze”, fluistert hij. Het is het laatste wat ze hoort. De kus op haar voorhoofd is het laatste wat ze voelt. Verraderlijk vertrouwd. De machine pompt doelloos door. Haar borst komt omhoog en gaat weer omlaag, omhoog en omlaag, terwijl de piepjes uit het apparaat versnellen en versmelten tot één lange, oorverdovende pieptoon. In haar hoofd overheerst stilte. Zij hoeft niet meer te kiezen.

Met dit verhaal won ik op 14 maart 2021 de verhalenwedstrijd van Stichting Cultuur Overdag en Bibliotheek Dommeldal, vestiging Nuenen. De wedstrijd werd gehouden in het kader van de boekenweek.

Karlijn, het konijn in een caviavacht

Wat nu als je een jongen bent en je een meisje voelt? Of andersom? Je kunt worden wie je echt bent! Kijk maar naar Bo van Spilbeeck, Loiza Lamers, Sam Bettens en Nikkie Tutorials. En naar ‘Karlijn, het konijn in een caviavacht’; dit is de titel van het verhaal dat ik schreef, in de overtuiging dat het een podium verdient in de vorm van een prentenboek.

Het verhaal van Karlijn is mijn verhaal. Toen ik erachter kwam dat mijn partner zich pas echt zichzelf voelde als ze eruit zag als een dame in plaats van als man, stond ik klaar met jurkjes en make-up. Na een poos was dat niet meer voldoende: er moest iets gebeuren, definitief. Dat was de start van een bijzonder en magisch avontuur. Zo was het ook voor Karel, de cavia, en Pipijn, het konijn. Met dit verhaal (op rijm) heb ik woorden gegeven aan het avontuur dat we aangingen. Mijn goede vriendin Karen Claassen vertaalde die woorden naar prachtige illustraties.

Positieve bijdrage

Met het prentenboek ‘Karlijn, het konijn in een caviavacht’ hoop ik een positieve bijdrage te leveren aan de acceptatie van transgender personen. Ik hoop vooral ook dat de (voor)lezers – jong en oud – plezier beleven aan het boek. Want het is ook gewoon echt leuk om het boekje (voor) te lezen als je geen transgender personen in je omgeving hebt. 

Meer weten? Bestellen?

Wil je meer weten over mijn avonturen rondom dit boek? Schrijf je dan in voor de updates van mijn auteursblog bij de uitgeverij. Daar kun je het boekje ook bestellen voor €15,50 (inclusief verzenden in Nederland en België).

DE MOEDER, DE VROUW

‘Hoi, Franka. Ik heb Martijn meegenomen. Mag hij mee-eten?’ Franka schuift net de lasagne in de oven. Ze veegt haar handen af aan haar schort en geeft Martijn een hand.

‘Dag, Martijn. Ik ben Franka. Natuurlijk mag je mee-eten. Gezellig.’ Sofie glimlacht als ze hoort hoe Franka haar best doet beheerst te klinken. Ze wordt er steeds beter in. Het jurkje dat ze draagt komt Sofie bekend voor, waarschijnlijk is het van haar moeder. Het staat Franka goed, ze ziet er een beetje uit alsof ze nog visite verwacht.

‘Waar is mijn andere moeder eigenlijk?’

‘Die is nog even aan het werk. We eten over drie kwartier.’

‘Oké, wij zijn naar mijn kamer.’ Sofie smijt haar schooltas en haar jas in de hoek van de keuken en trekt Martijn mee naar haar kamer. ‘Ik heb trouwens een lekke band!’ roept ze nog.

Franka is intussen begonnen de vaatwasser in te ruimen. Met een hoop kabaal, zoals meestal. Drie, twee, één, telt Sofie in gedachten af.

‘Godverdomme,’ klinkt het uit de keuken. Sofie kijkt Martijn verontschuldigend aan.

‘Zo, die kan vloeken,’ zegt hij alleen maar. Het klinkt bijna bewonderend.

Op haar kamer zet Sofie haar bluetooth speaker aan en selecteert ze een playlist van haar telefoon. De bastonen dreunen door de kamer. Snel ruimt ze nog wat shirtjes en bh’tjes van de vloer, die ze daarna onderin haar kledingkast gooit. Ze ploft neer op haar bed, dat met een overdaad aan kussens ook dienstdoet als bank, en laat zich met een zucht achterovervallen. Martijn komt naast haar zitten, op het randje van het bed. Hij kijkt Sofie aan, zijn hoofd een beetje scheef. Nou komt het, denkt Sofie. Ze zet het geluid van de speaker wat zachter.

‘Dus, jij hebt twee moeders?’ Sofie grinnikt. Intelligente conclusie, je kan wel merken dat hij een vwo’er is.

‘Yep.’ Sofie is benieuwd of Martijn er verder op door wil gaan.

‘Zijn ze naar de spermabank geweest, of zo?’

‘Nee, hoor. Voordat Franka kwam, had ik gewoon een vader en een moeder.’

‘Het moet wel raar zijn, om opeens te ontdekken dat je moeder lesbisch is.’

‘Dat was vooral voor haarzelf even schrikken, eigenlijk.’

‘En je vader, wat vond die daar dan van?’

‘Die was er dolgelukkig mee.’ Meestal windt Sofie er geen doekjes om en vertelt ze haar vrienden gewoon hoe het zit, bij haar thuis. Vandaag is ze in zo’n bui dat ze het leuk vindt om Martijn de puzzel zelf te laten leggen.

‘Zie je je vader nog wel?’ Martijn lijkt oprecht geïnteresseerd, dat moet ze hem nageven.

‘Nee, dat zit er volgens mij niet meer in.’

‘Mis je hem niet, dan?’ Daar moet Sofie even over nadenken. Ze is er langzaam in meegegroeid, in het gegeven dat haar vader zou verdwijnen. Natuurlijk heeft ze het daar toen best moeilijk mee gehad. Haar ouders waren er wel altijd allebei om haar te steunen. Ze hebben het in die periode zelfs heel leuk gehad als gezin. Met tafelgesprekken zoals Sofie zich die in een studentenhuis voorstelt, heel open en met veel humor.

‘Ach, ik mis hem af en toe nog wel. Alleen is Franka een stuk vrolijker dan mijn vader altijd was. Dat maakt het wel makkelijker. En ze is net zo handig, dus morgen is mijn band alweer geplakt.’

‘Maar waar is je vader dan nu?’ Sofie heeft opeens medelijden met Martijn. Hij snapt er nog niks van. Een mooier compliment kan hij Franka trouwens niet geven.

‘Weet je, mijn vader heette Frank. Ze heet pas sinds een jaar Franka.’ Martijns mond valt open. Heel even, dan herstelt hij zich alweer.

‘Oh, cool.’ Sofie lacht om zijn reactie. Martijn wrijft over zijn stoppelbaardje. ‘Zullen we gaan netflixen?’

Met dit verhaal won ik op 24 maart 2019 de verhalenwedstrijd van Stichting Cultuur Overdag en Bibliotheek Dommeldal, vestiging Nuenen. De wedstrijd werd gehouden in het kader van de boekenweek.

DE VADER MET DE PENTIUM

‘Ben je weer een opstel aan het schrijven?’ Laura smeet haar schooltas in de hoek van de kamer en liep door naar de keuken om een glas melk in te schenken.
‘Een kort verhaal, meisje,’ mompelde de vader zonder zijn dochter aan te kijken. Laura zette haar glas op de eettafel en ging tegenover de vader zitten. ‘Dag dochter,’ zei ze. ‘Wat fijn dat je thuis bent. Hoe was het op school?’
Nu had ze wel zijn aandacht. De vader keek haar in ieder geval recht aan. Tussen zijn wenkbrauwen zag ze de diepe denkrimpels die er altijd verschenen als hij geconcentreerd bezig was met iets. Soms was hij zó chagrijnig.
‘Nou, hoe was het op school?’ vroeg de vader.
‘Saai.’ Het was haar standaard antwoord. De vader antwoordde dan standaard dat dat mooi was, want school hoort saai te zijn. Deze keer zei hij dat niet. Zijn blik verdween alweer richting het beeldscherm van zijn laptop.
‘We moeten een opstel schrijven voor Nederlands. Mag ik dat van jou lezen? Misschien krijg ik dan eindelijk wat inspiratie.’ De vader keek haar met grote ogen aan en klapte zijn laptop dicht.
‘Ik denk dat je hier nog te jong voor bent. Later misschien.’ De vader wreef door zijn warrige haren en wendde zijn blik van Laura af.
‘Het gaat zeker over seks. Dat kan ik wel aan, hoor. Ik ben bijna 17!’
‘Juist niet. Deze keer niet. Het heeft niks met seks te maken. Juist niet.’ De vader keek haar nu weer aan. Laura zocht naar de twinkeling in zijn ogen die er normaal was als ze over zijn werk – en vooral over volwassen onderwerpen – spraken. Ze zag hem niet.
‘Wordt het een verhaal voor je bundel? Toe, laat het me lezen.’
‘Dit kan niet in mijn bundel. Het is niet goed. Mensen zullen het niks vinden.’
‘Zal ik dat eens beoordelen? Je hebt niks te verliezen. En je moet niet zo onzeker zijn. Je vorige bundel verkoopt hartstikke goed.’
De handen van de vader bewogen naar de laptop, daarna weer terug naar zijn haardos. ‘Ik heb meer te verliezen dan jij denkt,’ fluisterde hij. Hij klapte de laptop alsnog open en draaide hem om, zodat zijn dochter het scherm kon zien. De vader werkte al jaren met een oude Pentium. Laura grinnikte bij de gedachte aan het grapje dat haar moeder daar altijd over maakte. Vraagt een Brabantse man aan een collega op kantoor: ‘Hedde gij ôk een Pentium?’ Antwoordt de vrouw: ‘Nee, veuls te koud. Ik heb een maillot um.’

Maria had een zware dag achter de rug. Het was natuurlijk op zichzelf al zwaar dat ze zo plotseling afscheid had moeten nemen van haar man, het regelen van dat afscheid vond ze op dit moment nóg zwaarder. Haar dochter Isa leek het allemaal goed aan te kunnen en steunde haar waar ze kon. Toch waren er beslissingen die ze zonder Isa moest nemen. Met haar hoofd in haar handen vroeg ze zich af of ze het juiste had gedaan.
‘Mam, waarom vroeg jij net aan die begrafenisondernemer of hij papa pantykousen en jarretels aan kon geven onder zijn pantalon?’

Grappig, dacht Laura, ik dacht net nog aan panty’s en nu zitten ze in het verhaal. Met jarretels nog wel! En ik moet geloven dat het niet over seks gaat.
‘En, wat vind je?’ vroeg de vader.
‘Ik ben pas net begonnen, pap. Laat me eerst even rustig lezen.’
 
Maria schrok. Ze had haar dochter de kamer niet in horen komen. Dat ze kennelijk iets had opgevangen van haar gesprek met de begrafenisondernemer, was nog schokkender.
‘Ga zitten, meisje,’ zei ze. ‘Ik geloof dat ik je iets moet vertellen. Je vader had dat graag zelf willen doen, maar hij durfde het nog niet. Nu is het te laat, maar ik vind dat je er recht op hebt om het te weten.’
Isa nam plaats op de bank naast haar moeder en keek haar onzeker aan. ‘Wat is er dan?’ vroeg ze?
‘Je vader was eigenlijk pas echt zichzelf als hij eruit zag als een vrouw. Hij voelde zich vrouw en was doodongelukkig met zijn lijf.’

Vanuit haar ooghoek zag Laura dat de vader haar aan zat te staren. Zijn ellebogen had hij op de tafel geplant, zijn kin rustte op zijn handen, die hij tot vuisten gebald had. Zelfs de spieren in zijn bovenarmen bolden op.
‘Wat vind je tot nu toe,’ vroeg hij weer.
‘Je maakt dezelfde fouten als die je mij altijd verwijt,’ begon Laura. ‘Show, don’t tell, weet je wel. Je zegt dat het een zware dag was, je kunt ook schrijven over de dingen die zwaar zijn. En die moeder schrikt. Als ze iets uit haar handen laat vallen, is dat ook meteen duidelijk. Veel beeldender. Vreemd eigenlijk, dat je dat zelf nog niet had gezien.’
‘Ik zei toch dat het slecht is? Je geeft trouwens alleen maar technische feedback, ik wil weten wat je van de inhoud vindt. Aanpassen kan altijd nog. Lees nou maar verder.’ De vader trommelde met zijn vingertoppen op het tafelblad.

Uit de blik van haar dochter kon Maria niet afleiden hoe het nieuws bij haar binnen kwam. Het arme kind had de afgelopen dagen al zo veel te verduren gekregen. Maria had liever gewacht tot het verdriet over haar vader wat gesleten was. Op dit moment kon ze echter niet anders. Hoe moest ze anders haar wens om Pieter met pantykousen op te baren uitleggen.

Vanaf hier werd het verhaal beter, vond Laura. De vader had vast haar moeder in gedachten gehad toen hij Maria beschreef. Laura herkende haar onzekerheid, de liefde voor haar man en ook voor haar dochter. Ze las hoe Maria jaren geleden de verpakking van een lingeriesetje in de kast had gevonden. Lingerie die Maria nooit had gezien, en haar verjaardag en Moederdag waren toch alweer even geleden. Ze had hem ermee geconfronteerd, was bang dat hij er een minnares op na hield. Het was de eerste keer dat Pieter haar in vertrouwen en redelijk beschroomd vertelde dat hij zich af en toe als vrouw verkleedde. Hij had haar uitgelegd dat het voor hem vooral een vorm van ontspanning was. Het had niks met seks te maken, hij voelde zich pas echt zichzelf met het uiterlijk van een vrouw. Nu begreep Laura de opmerking van haar vader van zojuist. Ze werd toch wel benieuwd naar de rest van het verhaal. Vooral naar hoe Isa zou reageren.

Sinds Maria op de hoogte was, sprak ze veel met haar man over zijn gevoelens. De verbondenheid tussen hen groeide. Ze gaf Pieter de ruimte zichzelf te zijn, al bleef dat altijd in het geheim. Af en toe nam ze Isa mee voor een paar dagen weg, om haar man de tijd te geven in ‘zijn eigen kleren’ rond te lopen.
In het verhaal van de vader vertelde Maria het nu allemaal aan Isa. Zonder iets achter te houden. Ze had Pieter gerespecteerd om wie hij was, en ze respecteerde hem ook om wie hij wilde zijn. Steeds vaker zag Maria haar man als vrouw. Ze had gemerkt dat het hem goed deed. De dagen na daarna was hij altijd minder knorrig. Als haar dochter een avond weg was, bereidde ze zich er inmiddels al op voor dat ze zijn hakjes al snel op de houten vloer zou horen tikken. Zijn gezicht was opener en zachter als hij zich getransformeerd had, vond ze. Ze hield nog evenveel van hem als voordat ze zijn geheim kende. Misschien zelfs wel meer. Hij was haar daar dankbaar voor. Het was altijd zijn grote angst geweest haar te verliezen als ze achter zijn geheim zou komen.

‘Hij wilde graag dat jij het ook zou weten, Isa. Voor zijn vrienden en omgeving wilde hij het nog steeds verborgen houden, maar voor jou wilde hij geen geheimen hebben. Hij wist alleen niet hoe je zou reageren. Hij was zo bang dat je hem af zou wijzen. Vertel eens, lieverd, wat vind je ervan nu je het weet?’

De vader zat nog steeds naar Laura te staren. Laura staarde terug.
‘Wat vind je?’ vroeg hij.
‘Ik ben benieuwd hoe het afloopt, hoe Isa reageert,’ zei Laura eerlijk.
‘Daar worstel ik nog mee.’ Laura grinnikte om zijn woordkeuze. ‘Ik hoopte dat jij me daarmee zou kunnen helpen.’
Laura overwoog haar woorden goed voordat ze de vader haar mening gaf. De vader schoof met zijn billen heen en weer op zijn stoel. Hij bleef haar aankijken, één wenkbrauw iets opgetrokken, de frons dieper dan hij ooit geweest was.
‘Ik denk dat Isa reageert zoals ik dat zou doen,’ zei Laura uiteindelijk. De wenkbrauw van de vader ging nog iets verder omhoog.
‘Pap, je mag zijn wie je wilt zijn. Je bent goed zoals je bent. En als je denkt dat ik je hierom af zou wijzen, dan ken je mij slechter dan ik dacht.’
Met de rug van zijn hand veegde de vader een traan onder zijn ogen vandaan. Een zwarte veeg bleef achter.
‘Dat van die Pentium had mama zeker bedacht?’ De vader glimlachte en knikte naar zijn dochter.
‘Je was toch niet van plan eruit te stappen, hè?’ De vader sloeg zijn ogen neer.
‘Pap! Laat me je iets vertellen. Je verhaal is inderdaad slecht. Het is niet spannend, want transgenderschap is nu eenmaal niet spannend. Het is net zo normaal als homoseksualiteit en helemaal van deze tijd. Ik vind het eigenlijk wel cool. Je kunt het wel spannend maken, maar dan moet je het hebben van de manier waarop je het beschrijft. De spanning van de betrokkenen kan het verhaal maken, niet het gegeven alleen.’
De vader schoof de laptop weer naar zich toe en keek naar het scherm. Hij zuchtte diep. ‘Zal ik het maar gewoon deleten?’ vroeg hij.
‘Wat je zelf wilt, pap.’ Laura stond op, liep om de tafel heen en sloeg haar armen om de vader heen. ‘Ik ga naar boven. Even gamen met Sven. Wist je dat hij vroeger Samantha heette? Oh ja, en kijk straks even in de spiegel, ik geloof dat je je mascara gisteren niet helemaal goed hebt verwijderd. Doei!’

De vader wreef met zijn vingers langs zijn ogen, voordat hij zich op zijn stoel achterover liet vallen. ‘Doei, lieve dochter van me’, zei hij zachtjes terwijl de deur naar de gang dicht viel.

AAN HET EINDE VAN DE TUNNEL

Haar lichaam verstrakt en haar oogleden trillen. Nienke rijdt stapvoets door de Mont-Blanctunnel en het begint nu echt warm te worden in de auto. Pas op het allerlaatste moment had ze besloten de tunnel te nemen, niet de pas. Lars sliep. Als hij wakker wordt, zijn we al lang in Italië, zonder dat hij ook maar iets gemerkt heeft, had ze gedacht. Nu is Lars toch wakker geworden, met de nodige paniek als gevolg. Hij zucht en het zweet parelt op zijn voorhoofd. Vergeefs draait hij aan de ventilatieknop.
‘Die airco doet het niet, dat was al zo voordat je naar dromenland vertrok.’
‘We hadden die auto na moeten laten kijken.’ Lars is nauwelijks te verstaan.
‘We hadden ook niet op zaterdag moeten vertrekken,’ antwoordt Nienke terwijl ze hard op de rem trapt. Lars’ hoofd schiet met een knal tegen het dashboard aan. Ze staan nu echt stil, midden in de tunnel. Uitlaatgassen dringen de auto binnen.
‘Lars, draai dat raam weer dicht! Die stank komt juist van buiten. Denk even na.’
Automobilisten beginnen te toeteren. De auto achter hen trekt op en metaal schuurt tegen metaal. Lars, opnieuw gelanceerd, houdt de hendel naar haar op. Afgebroken. Het raam staat nog open.
Het rammen gaat door. Ze raken de vrachtwagen voor hen, de linker koplamp begeeft het. Nog even en ze schieten onder de oplegger.
‘Is hier geen nooduitgang of zo? Ik vind dit eng, Nienke.’
Het enige wat Nienke ziet is een SOS-paaltje en mensen die tussen de twee rijbanen door lopen, hoestend en met gebogen hoofden. Geen uitgang. Eén man loopt opvallend rechtop. Apart, denkt Nienke, hij draagt een gasmasker.
‘Shit, Lars. Die vent daar, het lijkt wel of hij een bomgordel heeft!’
De knal die volgt is oorverdovend. Instinctief duiken ze in elkaar. Ze kunnen geen kant op. Voor hen breidt een vlammenzee zich uit, achter hen staan verlaten auto’s. Hun eigenaren rennen alle kanten op, of laten zich weerloos op de grond vallen.
De tweede knal is nog harder dan de eerste. In de achteruitkijkspiegel ziet Nienke een touringcar in vlammen opgaan. Hun vakantiebestemming ligt nu echt lichtjaren ver van hen vandaan, beseft Nienke. De stank neemt wel af, tot een aangename geurloosheid. En aan het einde van de tunnel openbaart zich een stralend licht. Raar, het verkeer is niet op gang gekomen. Het maakt niet uit. Het licht is prachtig, en zo welkom.

PUUR

Eén hapje. Een miezerig klein hapje, meer had haar vriendin Eefje niet gegeten van de chocola die Lilith met zoveel zorg had bereid. ‘Deze chocola is echt goddelijk,’ had Eefje nog gezegd. Daarna zeeg ze ineen en staarde ze in het niets, met een gelukzalige glimlach op haar gezicht. Een hartstilstand, was de diagnose van de arts die was verschenen nadat duidelijk was dat de ambulancebroeders niets meer voor Eefje konden betekenen. Natuurlijke dood.
De overgebleven chocolade legde Lilith in de keukenkast, helemaal bovenin, achter de zak met zoete appels. Hij was ongetwijfeld heerlijk. Haar oma wist overal wel chocola van te maken, maar deze pure variant was zonder meer haar chef-d’oeuvre. Het was niet eenvoudig geweest om de ingrediënten bij elkaar te krijgen, maar toen dat eenmaal gelukt was, had Lilith ze met uiterste precisie verwerkt. Exact volgens het recept.
In haar kleine woonkamer zat Max op de bank. Zijn ellebogen op zijn knieën, zijn hoofd gebogen op zijn handen. Hij was onmiddellijk naar Lilith toe gekomen. Totaal overstuur, natuurlijk. Begin dertig en nu al weduwnaar, dat was niet wat hij voor ogen had gehad toen hij met Eefje trouwde. ‘Voor jou is het ook vreselijk,’ zei hij, terwijl de uitvaartverzorgers zijn vrouw op een brancard uit Liliths woonkamer droegen. ‘Ze was je beste vriendin.’
Ze sloeg haar armen om hem heen. ‘Maak jij je om mij maar niet druk,’ fluisterde ze in zijn oor. ‘Ik red me wel. En jou sleep ik hier ook doorheen. Het is verschrikkelijk dat Eef er niet meer is, dat vinden we allemaal. Toch weet ik zeker dat wij opnieuw gelukkig kunnen worden.’
Het was moeilijk om Max zo te zien. Zijn verdriet sneed door haar ziel, net zoals zijn liefde voor haar beste vriendin dat ooit had gedaan. Het was moeilijk geweest bevriend te blijven, maar het was haar gelukt. En ook nu was ze er voor hem. In voor- en in tegenspoed, zo hoorde echte vriendschap te zijn.
In de dagen die volgden, hielp Lilith Max waar ze maar kon met het regelen van de uitvaart. In zijn keuken schreef ze adressen op de enveloppen van de rouwkaarten. Bij de brandende gashaard in zijn woonkamer selecteerden ze samen de muziek en de foto’s voor de afscheidsdienst. Ze luisterde naar de speech die hij aan het instuderen was en liet hem die van haar horen. Liefdevolle woorden, uiteraard. Over de doden niets dan goeds.
Op de dag voor de uitvaart aten ze bij haar thuis. Ze maakte haar populaire ovenschotel en deed haar best Max af te leiden van de gedachte aan het definitieve afscheid. Hij leek zich te ontspannen en liet het zich smaken. Terwijl zij daarna de tafel afruimde, zette Max een pot koffie.
‘Die chocola die jij in je kast hebt liggen, die is lekker!’ Max likte zijn lippen af.
‘Chocola? Hoeveel heb je daarvan gepakt?’ Met grote ogen keek ze hem aan.
‘Er is heus nog genoeg over voor jou.’ Hij knipoogde. Het is te laat, besefte ze. Ze snelde naar de keuken en trok met kracht de kastdeur open. Max stond achter haar in de deuropening en grinnikte. Met volle aandacht nam ze een hapje. De smaak was zo puur, goddelijk inderdaad!
‘Heb jij daar ook nog een geheime voorraad?’ hoorde ze Max vragen. ‘Ik had twee van die witte bonbons van Van Bragt gepakt. Die daar, op de onderste plank.’
Max ving haar op in zijn armen. Op haar gezicht verscheen een gelukzalige glimlach.

SAMEN UIT …

Hij staart vanaf zijn klapstoel naar de lavendelvelden onder zich. Toen vond hij het uitzicht adembenemend, nu wordt hij er verdrietig van. Tien jaar geleden is het. Op de dag af. Hij ziet nog steeds voor zich hoe Nova naar de tent komt rennen. Alleen, zonder haar. Met de rolriem bonkend achter hem aan. Bij de tent staat Nova voor hem, zijn staart in de lucht, blaffend om aandacht. Tom denkt dan nog dat Maartje zo wel zal komen. Ze is gewoon even naar het toilet en heeft de hond alvast naar de tent laten gaan, hoewel ze meer het type is van samen uit, samen thuis.
Maartje komt niet. Nova draait rondjes en loopt steeds een beetje van hem weg. Als Tom opstaat, begint de hond te rennen. Terug naar waar hij vandaan kwam. Tom roept hem bij zich en pakt de riem, waarna de hond hem met kracht van het pad af trekt, langs de lavendelvelden het bos in. Het duurt een kwartier voordat de hond stopt, maar op het moment dat hij dat doet, gebeurt het heel abrupt. Nova kijkt Tom vragend aan en jankt. Tom probeert te begrijpen wat de voetsporen op het zand betekenen, waarom er op deze plek bandensporen staan van een wagen die in allerijl opgetrokken lijkt te zijn, en vooral: waarom het dunne sjaaltje van zijn vrouw hier aan een tak van een struik hangt en uitdagend naar hem zwaait in de wind.
Na die dag heeft hij Maartje nooit meer teruggezien. Vorige week ontving hij een sms’je van een afgeschermd nummer. ‘Kom op de juiste datum en op de juiste tijd naar de plek waar je haar tien jaar geleden verloor,’ stond er. En hier is hij dan. Zijn tent staat op dezelfde plek als toen, aan de rand van de kleine camping. Het is nog dezelfde, onverwoestbare De Waard. Hij heeft zelfs nog hetzelfde campingtafeltje, het heeft de afgelopen tien jaar niets geleden. Nova is er niet meer, maar de nieuwe Toller heeft Tom natuurlijk wel meegenomen. Straks gaat hij hem uitlaten, exact om tien uur ’s avonds. Precies zoals zij toen deed.
Hij heeft geen idee wat hij kan verwachten, ook niet wat er van hem verwacht wordt. Tom kijkt naar het boek dat hij heeft meegenomen. Het ligt, net als toen, op de tafel. Maartje hoefde nog maar twee hoofdstukken te lezen, daarna zou hij erin beginnen. Hij weet nog dat hij toen dacht dat ze ervan zou balen dat ze het niet meer kon uitlezen, daarom heeft hij het nu weer meegenomen. Zelf is hij er nooit meer in begonnen. Tot nu. Het is een psychologische thriller en het verhaal leidt hem af van zijn zenuwen. Hij herkent zichzelf pijnlijk in de echtgenoot van het hoofdpersonage. Zijn bravoure, de avontuurtjes met andere vrouwen die in zijn ogen onschuldig leken, de manier waarop hij Maartje soms afblafte en kleineerde. Hij heeft al tien jaar niet meer naar een andere vrouw omgekeken, laat staan een vrouw aangeraakt. Zij was het beste wat hem ooit is overkomen.
Tom legt het boek weg. ‘Kom, Scotta,’ zegt hij, ‘het is tijd om te gaan.’ De hond springt meteen op en draait een paar rondjes voor hij netjes gaat zitten om zich aan te laten lijnen. Met lood in zijn Teva’s wandelt Tom de camping af. Wie of wat zal hij aantreffen? Het idee dat Maartje mogelijk nog leeft, durft hij niet toe te laten. Hij wil vooral weten wat er is gebeurd. De onzekerheid is het moeilijkst.
Scotta lijkt precies de weg te weten, hij is iets op het spoor. Al snel komt Tom in de buurt van de plek. Van veraf ziet hij een busje staan. Er staat een kerel bij. Scotta houdt zijn pas in en gromt. Tom overweegt om te draaien; die vent kan wel gewapend zijn. Dan verschijnt er van achter het busje een vrouw en begint Scotta opgewonden te blaffen.
‘Heb je het boek nog gelezen,’ roept ze met een stralende lach als hij dichterbij komt.
‘Ik ben net begonnen,’ wil Tom roepen, maar er komt geen geluid over zijn lippen.
‘Dit is Jean-Luc, een oude vriend van mijn vader. Ik heb hem toen gevraagd me hier op te halen. Sindsdien heb ik je gevolgd, Tommie. Via sociale media, en ook via vrienden in Nederland. Je hebt je leven gebeterd, begreep ik. Wat denk je, zullen we de vakantie afmaken en dan samen naar huis gaan?’ Samen thuis, denkt Tom. Het klinkt fantastisch.